Tags

Een hele tijd geleden (2003!) schreef ik dit fantasierijk verhaal over een synagoge in Arabië. Eigenlijk gaat het over de joodse gebedsruimte ‘Em Habanims’ in Sefrou, een provinciestadje in de buurt van het grotere, historisch belangrijke Fez in Marokko.

De stad Sefrou is één van de oudste steden van Marokko en kende een heel grote joodse gemeenschap (denk dat zowat 90% van de bevolking joods was). Zelf ben ik er nog nooit geweest, maar mijn grootmoeder (langs moeders kant) is daar geboren en ogegroeid. Hoewel ik haar nooit heb gekend omdat ze in bijzonder vreemde omstandigheden is overleden op een vrij jonge leeftijd, ben  ik er zeker van dat ze ook enorm rebels moet geweest zijn (zoals mij dus).

Haar naam was Sophia Sefrioui (vertaald: Sophia Van Sefrou). Omdat mijn familie bizar genoeg nooit over haar praat alsof ze nooit heeft bestaan, draag ik dit verhaaltje op aan haar. Ik weet en besef dat er geen hiernamaals kan bestaan, maar hoop stiekem toch dat ze vanuit een joodse hemel of islamitische hel kan meelezen en GENIETEN…

 

Synagoge in Arabië

 Razendsnel was het niet. Het was eerder een weloverwogen gegeven. Niet alleen opgelegd door geloof of politiek, maar vooral bezaaid met economische belangen. Het geld moest elders gezocht worden. De grond stierf uit. Enkel mest kon hen nog helpen, maar die leek goedkoper in het beloofde land.

Veel hebben ze dus niet meegenomen. Het gebouw zelf was nog intact, het interieur werd niet aangeraakt en in de kleine voortuin was er toch al niet veel te zien. De muffe geur, die aanspoorde tot een saai gedrag, zou slechts even omgetoverd worden. De geur van bloed en verderf sloop binnen, maar werd heimelijk en in allerijl verwijderd. Toeristen zouden het niet mogen weten, tenzij het om een lugubere soort ramptoeristen gaat.

In de verte waren wat spelende kinderen te horen, maar enkel de toeterende auto’s verstoorden de stilte die zo’n gebeurtenis zou moeten volgen. Niet dat het juist had plaatsgevonden doch omdat hij er het fijne van wist. De gids, belast met het vertellen en tonen van al wat met de verlaten synagoge te maken heeft, kende het ongekende maar al te goed. Zo was hij er niet alleen zeker van dat het hier geweest was, maar dat het ook terugkomen. Alleen wist hij niet wanneer dat dan wel juist zou zijn…

Er werd van hem ook gevraagd de tempel ‘Em Habanims’ te onderhouden. Niet zozeer restauratiewerken verrichten, afstoffen en dweilen was al meer dan genoeg. Angst was op die momenten zijn stuwende kracht. Nooit zou men zo’n oude man elders zo snel aan het werk zien. Daarom werd hij ook geprezen en behoorlijk vergoed. Bovendien kreeg hij van de joodse pelgrims vooral in het hoogseizoen fooien waarvan de hoogte van het bedrag gelijk stond met de liefde die hij dan kon verwachten van zijn gezin.

Zijn leven werd gevormd, geleid en bewogen door geld. Iets wat in zijn ogen aanvankelijk enkel voor geluk stond, zorgde voor een zwart gat. Een gaping die moest gevuld worden met huichelarij. Niet alleen diende hij een inkomen te verzorgen door het communiceren met een gehaat volk, bovendien kwam zijn onrustige zoon hem nog roet in het eten gooien. Een kind van negentien dat al zijn liefde onvoorwaardelijk kreeg, leek zijn leven omver te willen werpen. Of het al dan niet bewust was, wist hij niet.

Zine was de boosdoener. Het uiterlijk van deze jongen deed zijn naam alle eer aan. In heel Arabië was er geen evenaring van zijn schoonheid terug te vinden en als oudste zoon van de familie mocht hij waarschijnlijk meer dan z’n broers en zussen. Regelmatig ging hij zelfs zijn vader helpen en leerde zo de synagoge kennen. Ondanks het toenemend antisemitisme en de racistische grappen over joden die zijn vrienden hem vertelden, leek het er op dat Zine vrede had genomen met de tewerkstelling van zijn vader die hij ooit al eens had bestempeld als een verrader. Op het einde van de dag, net voor het avondgebed, gingen ze dan samen naar de rabbijn waar de sleutels van het gebedshuis afgegeven werden. Steeds vroeg de rabbijn of de grote houten deur werd gesloten en altijd weer kreeg hij hetzelfde bevestigende antwoord.

Telkens vroeg Zines vader waarom de rabbijn niet was vertrokken of van plan is te reizen naar het land waar zijn volk al zo lang van droomde. De rabbijn glimlachte dan schertsend en legde zijn hand op het hoofd van Zine. Zoals elke vader had hij ook kinderen, de synagoge was er één van. Adina, de dochter van de rabbijn kwam op dat moment als bij wonder steeds uit de keuken om te zien met wie haar vader sprak.

Iedereen zou de verwachtingen van Adina onmiddellijk hebben waargenomen. Zine deed steeds minachtend en stak zijn tong neerkijkend uit bij het opmerken van het jonge meisje. In geen geval zou hij ingaan op de bekendmaking van Adina’s begeerte. Hij was het immers al gewoon dat het andere geslacht hem op die manier onder de loep nam. Een joods meisje zou zeker geen succes hebben door zijn ideeën en opvattingen over haar vreemde omgeving.

Doordat Zines vader zijn kinderen al die jaren had verteld dat er in de tempel een boze geest huisde, werd Zine aangetrokken de plek van onheil te onderzoeken. Aanvankelijk geloofde hij de verhalen van zijn vader, die beweerde het zelf al gezien te hebben, niet. Toch besloot hij die nacht zijn ouderlijk huis te ontglippen en over het hek te klauteren dat toegang geeft tot de voortuin van de synagoge.

Nadat hij geruime tijd poogde het slot van de deur te forceren zonder deze te beschadigen, gaf hij op en nam hij het paadje tussen het gebouw en de begraafplaats om te zien of er geen andere mogelijkheid was binnen te raken. Aan de achterkant merkte hij een trapje dat hem bij een houten, met spinnenwebben bedekte en door struiken verborgen, kleinere deur bracht. Na een korte maar hevige duw te geven, zwaaide deze open en knalde tegen een oude boekenkast. Zine schrok en hoopte dat niemand hem gehoord had.De kast viel op de grond en versperde de weg. Zine besloot over de kast te klimmen en de tempel zo binnen te gaan.

De maneschijn was de enige lichtbron en Zine vond dit meer dan voldoende. Af en toe keek hij eens achterom vermits hij toch iets meende te horen, tot hij plotsklaps een felle en oogverblindende lichtstraal in zijn ogen kreeg. Dit ging gepaard met een oorverdovend lawaai dat uitmondde in een schaterlach. Zine wreef als het ware het ongemak uit zijn ogen om te zien dat zijn vader eigenlijk gelijk had ondanks zijn ouderdom en rijke verbeelding. Het waargenomen tafereel werd door zijn zintuigen opgezogen en met een ruk naar zijn hersenen doorgestuurd zodat hij het gevoel kreeg wakker te worden in een droom.

In een kring om een stofwolk met menselijke trekken, zaten zesentwintig katten onbeweeglijk te staren naar het bulderend gelach van de hen blijkbaar intrigerende verschijning. Door een onbekende kracht werd hij in de cirkel geworpen, vlak voor het fenomeen dat een steeds menselijker vorm aannam en zich voorstelde als Isha, de neef van de djinn van Arabië. Zine zou hem een vrouw moeten bezorgen, niet als levenspartner of zielsverwant, maar als slaafje voor al zijn seksuele lusten.

Gewekt door de geur van aangebrande koffie en verrast door het zien van zijn moeder in de keuken die tevens diende als slaapplaats voor de kinderen, besloot Zine zijn droom aan niemand te vertellen. Zelfs niet aan zijn vader wiens verbeeldingskracht zijn avontuur inluidde. Een grote angst voor hetgeen van hem werd gevraagd, zorgde er wel voor dat hij die middag zijn vader zou helpen met als enig doel hem ’s avonds te vergezellen naar het huis waar de sleutel zou worden afgegeven. Op die manier hoopte hij het meisje te ontmoeten dat hij aan Isha kon geven omdat hij toch niets voelde voor haar terwijl ze zelf al het mogelijke zou doen om hem te plezieren.

Het lot hielp hem door de afwezigheid van de rabbijn en het afgeven van de sleutel aan Adina. Bewonderend tuurde ze hem met wijde ogen aan toen hij haar toefluisterde haar die nacht te willen zien. Als plaats voor hun romantische rendez-vous stelde hij de grote olijfboom net voor de begraafplaats voor. Met een goedkeurende knik bevestigde ze Zines plan alvorens de deur te sluiten.

Urenlang lang wachtte hij op haar komst, toen hij opeens iemand het hek zag benaderen. Goed kijkend zag hij dat het een man moest zijn, waarop hij zich achter de boom verschool om na te gaan wat die persoon van plan was. Hij kon nog net zien dat de man zich naar de synagoge repte om blindelings te deur te openen en binnen te lopen. Stiekem sloop Zine hem achterna en wou de toegangsdeur openen maar bemerkte al gauw dat ze op slot was. Hij nam aan dat de man de deur na het binnengaan opnieuw had afgesloten, toen hij aan zijn rechterschouder een hand voelde. Zine draaide zich pijlsnel om en zag een man waarvan het gezicht onder een zwarte hoed verborgen zat. Zijn wijsvinger hield hij voor zijn mond en blies zachtjes op de lippen. Zine volgde hem op zijn teken.

Ze maakten een lange wandeling waarbij de man af en toe zuchtend de naam van God uitsprak. Zijn stem, pas en uiteindelijk ook zijn kleren deden Zine inzien dat de man zijn vader was. Waarom hij hem bij de synagoge kwam zoeken en meenam werd hem niet duidelijk. Zelfs niet wanneer ze na het lange stappen voor hun huis stonden en de vader bedeesd Zine vroeg binnen te gaan en alle deuren en vensters te sluiten. Zelf verdween de vader de donkere nacht in.

De volgende ochtend ging Zine met een hoofd vol onbeantwoorde vragen naar de synagoge, waar hij zijn vader hoopte te kunnen spreken. Bij zijn vroege aankomst zag hij eerst niemand. Op zijn tenen liep hij naar openstaande deur de synagoge binnen om tot zijn verbazing te moeten opmerken dat zijn vader op zijn knieën zat. Zine liep dichterbij en zag hem de armen heen en weer gooien alsof hij de duivel aanbad. Op het moment dat hij z’n vader riep, rook en zag hij een enorme bloedplas die zijn vader probeerde weg te halen met behulp van een emmer water, een dweil en een Koran.

Zine verwachtte geen uitleg, maar drong toch aan op een reactie van zijn vader die als een gevoelloze machine het bloed trachtte te verwijderen. De tranen stonden in zijn ogen toen hij zijn vader meermaals smeekte hem te zeggen wat hij gedaan had, maar hij huilde niet. Pas na het opruimen draaide de vader zich naar Zine en keek hem recht in de ogen. De verdorvenheid indachtig en afkeurend, lichtte hij het gebeuren aan zijn zoon toe.

Met een stevige greep in Zines onderarm, nam hij hem mee naar de olijfboom. Enkel wat afgebroken takken en wat leek op overblijfselen van een dik koord, wezen op het gebruik van die boom voor iets wat de vader aanzag als de redding van zijn ondergang. Hij vertelde hem dat voorbijgangers vanmorgen en meisje hadden zien hangen aan de boom. Ze vertoonde geen enkele vorm van leven en werd door een paar mensen naar beneden gehaald en naar het huis van de rabbijn gebracht. Daar werd ze door de rabbijn al snel herkend als zijn dochter en deze verweet haar daad, als gevolg van een voortdurend negeren van zijn kinderen en een absolute toewijding aan het geloof en de synagoge, aan zichzelf. De rabbijn zou hierdoor de rest van zijn leven besteden aan bezinning in een land waar er genoeg synagogen en rabbijnen zijn om hem van zijn werk te verlichten. Het vertrek zou een lang gestreefde onafhankelijkheid betekenen voor Zines vader.

Ondanks de nieuwe wending, waardoor Adina’s dood enkel een passionele oorzaak werd toegeschreven, begreep Zine nog steeds niet hoe haar bloed uit haar lichaam werd gezogen. Hij had immers met eigen ogen kunnen zien dat zijn vader alles deed om haar bloed uit het gebedshuis te krijgen. Urenlang poogde hij datgene hij had waargenomen te doorgronden. Hij was zelfs zodanig in de ban van de voorbije gebeurtenissen dat hij niet merkte dat zijn vader hem voortdurend moest aanporren verder naar huis te lopen.

Uiteindelijk durfde hij zijn vader, net voor het betreden van hun huis, toch te vragen wiens bloed hij opkuiste. Omdat hij niet onmiddellijk een antwoord kreeg, vertelde hij zijn vader wat hij die nacht eigenlijk van plan was en wat hem daartoe had geleid. Het feit dat zijn vader Isha reeds kende, verwonderde hem niet, maar dat die djinn dezelfde reactie niet had opgewekt wel.

De vader spoorde zijn zoon aan te gaan zitten alvorens hij als een oude Arabische verteller zijn verhaal deed. Verschillende malen had Isha zich aan hem vertoond, met de eis hem een vrouw te schenken. De eerste keer had hij uit schrik een tijdlang de synagoge niet meer betreden maar de djinn verstoorde zelfs zijn dromen zodat hij besloot hem nogmaals op te zoeken. Bij de tweede verschijning merkte hij op dat Isha werd omringd door katten waarvan hij niet met zekerheid kon zeggen of hij ze al rond de synagoge had zien lopen. Isha vertelde hem dat de katten de vrouwen waren die hem eerder waren geschonken met als doel hem te bevredigen. Daarna zoog hij hun zielen op om zo zijn verdere bestaan te verzekeren. Dit effect zorgde voor een gedaanteverwisseling. Omdat Zines vader het gevoel kreeg dat zijn zoon weldra ook zou gevraagd worden de djinn een vrouw te bezorgen, nam hij bij de derde verschijning, het heft in eigen handen en vermoorde alle katten in de hoop Isha op die manier weg te jagen.

Als een persoonlijke gids beloofde hij Zine bij te staan als Isha zich nogmaals zou vertonen. Ondertussen wil hij enkel nog profiteren van het hem omringende en goedgezinde leven, zoeken naar een ideale echtgenote voor zijn zoon en meehelpen met de opvoeding van kleinzonen en –dochters wiens gemak deels zal afhangen van het doorgeven van zijn ervaring en kennis die groeit door de mest van wijsheid.

 

Adil Fraihi

 

614982_4130701984450_1525065206_o

 

 

Advertenties