‘Onze zoon is geslaagd’, roept de moeder van mijn kind. Ja, nu het goed is, wordt hij van ‘ons’. In de meeste andere gevallen is hij enkel van ‘mij’. Als het over alimentatie gaat bijvoorbeeld, kijk ik te weinig om naar ‘mijn’ zoon. Werd hij bekeurd omdat het lichtje van zijn fiets niet werkte, is hij ook ‘mijn’ zoon en als hij wéér een strafstudie kreeg, lijkt hij zelfs op mij! Dan is zelfs hij alléén ‘mijn’ zoon…

 
Alsof ik net zoals haar een dom blondje ben dat zich zomaar laat zwanger maken door een idioot als mij. Nochtans had ze moeten weten dat mijn appartementje niet meer was dan een zielige en totaal mislukte imitatie van Hugh Hefners Playboy-mansion waarin ik het liefst en te vaak blonde meisjes en vrouwen ontving. Altijd meerderjarig, vaak zelfs gewillig, maar zeker niet altijd mooi…

 
Terwijl ik dit schrijf moet ik om de één of andere reden denken aan een mollige blonde, die ik had leren kennen in een véél te donkere lounge-bar. Het was een oud café, dat werd omgetoverd tot hippe kroeg en stond aan de hoek van een straat, recht tegenover een begraafplaats. Vraag me niet waarom ik dat allemaal nog weet. In ieder geval, zie ik pas hoe lelijk ze echt is als we al in bed liggen. Het zijn vooral haar benen waaraan ik moet terugdenken. Die zijn veel te kort en bovendien te mager om bij de rest van haar – en ik zeg het zoals het is – ronduit dikke lijf te horen of passen. Zelfs nu nog vraag ik me af hoe ze in staat waren al dat gewicht te ondersteunen en verplaatsen. Het ergste is dat ik haar op een gegeven moment ook vlakaf vraag wat er mee scheelt. Ik moet daarbij ongetwijfeld een blik vol afgrijzen getrokken hebben want ze loopt daarop kwaad weg. Maar ik wijk af. Het is dat zoontje van me waar ik het over wil hebben en niet dat waarschijnlijk geblondeerd wicht dat werkte voor de ambassade van Slovakijke. Of was het nu Slovenië…

 
M’n ex-vriendin geeft mijn zoon door omdat ik hem wil feliciteren. Dat doe ik dan ook zonder geveinsd enthousiasme maar hoor dat hij de felicitaties maar lauwtjes ontvangt. Ook wanneer ik vraag of hij nu iets gaat drinken met z’n vrienden om zo te vieren dat ze het schooljaar beëindigen, antwoordt hij koel dat hij vanavond niet zal weggaan en gewoon thuis wat voor z’n televisietoestel gaat ‘chillen’. Hij spreekt me altijd aan als één van zijn vrienden, waarbij hij dus vaak een onverstaanbaar jeugdjargon gebruikt….

 
‘Waarom?’, vraag ik hem dan bezorgd. Ik vrees immers dat hij zich net nu wat ziekjes voelt en dat kan niet leuk zijn. Zijn antwoord verrast me. Ik dacht er niet over na dat die mogelijkheid bestond: ‘Ze zijn allemaal gebuisd, papa!’ Ik begrijp meteen de ernst van de situatie. De zeventienjarige jongen die ik nog steeds zoonTJE noem maar ondertussen een flinke tiener is, verliest een heleboel klasgenoten. Vrienden eigenlijk. En eerlijk, op die leeftijd zijn die nu net belangrijker dan z’n ouders. Hoewel ik het rot vind voor hem dat zijn vriendjes niet slaagden, ben ik tegelijkertijd toch tevreden dat hij ze minder zal zien. Het wringt dus allemaal een beetje in mijn bovenkamer of beter: ik weet even niet wat ik moet denken. En u?

 

 

Adil Fraihi

 

Close Kd