Tags

,

Onlangs vond ik op m’n oude pc een verhaaltje terug dat ik schreef in 2004. Dat is het jaar waarin ik te horen kreeg dat ik MS had en dus nog steeds heb. Hetgeen ik toen schreef, heeft daar niets mee te maken maar toont wel dat ik altijd al fantasierijk ben geweest. Het is meer dan aangenaam iets te lezen dat ik zoveel jaren geleden uit m’n duim zoog…

 

 

Waar water is

 

Zijn vader is geen herder en toch geeft hij hem een schaap. Omringd door talrijke dorpsgenoten spreekt hij eerst wat onverstaanbare spreuken uit en schenkt Aar het lammetje. “Zoals mijn vader aan mij en mijn grootvader aan mijn vader, zo beveel ik jou dit dier volgens onze gebruiken en naar behoren groot te brengen“, zegt hij plechtig. Aar begrijpt dat hij enkel op deze manier zal kunnen bewijzen dat hij een man is geworden. “Een lam schenk je me, een schaap krijg je terug, Abi”, antwoord Aar. Nadat hij zijn vader als teken van dank kust, begint de menigte uitbundig te roepen en z’n naam te scanderen: “Aar, Aar, Aar, Aar…!”.

Aar wordt door iedereen aangeraakt alsof hij nu ineens geluk zou brengen. Hij kent ze allemaal bij naam. Het dorp bestaat immers alleen uit familieleden en inteelt is er geen taboe maar noodzaak.  Ooit zal hij wel met een halfzus, nicht of tante trouwen. Daar verheugt hij zich zelfs op. Eén bepaalde nicht, ú, ziet hij wel zitten. Ze is nu nog maar negen, maar ze lacht altijd vriendelijk wanneer hij voorbijloopt of wanneer ze hem bij z’n vader, het stamhoofd, tegenkomt. Bovendien is ze één van de weinigen zonder zichtbare lichamelijke tekortkomingen. Hij hoopt haar zelfs in de nabije toekomst te kunnen huwen.

Te laat merkt Aar op dat hij eigenlijk teveel heeft gedronken. Hij moet immers snel het lammetje wat geitenmelk geven. Heeft hij zojuist niet beloofd goed voor het dier te zorgen? Hij loopt naar zijn ouderlijke hut en ziet z’n moeder die op een hoopje stro al neuriënd z’n jongste broer in slaap aan het wiegen is.“Moé, heb je een doekje en wat melk voor me? Ik moet mijn beest wat te eten geven.”, vraagt hij. Zijn moeder wijst naar een aarden pot waarover een doekje ligt. Aar neemt de oude vod in zijn linkerhand en ziet dat er wel genoeg melk in de pot is. Haastig rent hij naar het lam dat achter de hut met een stuk touw aan een stokje in de grond werd vastgemaakt.

In de schemering dept hij het doekje in de pot melk. Daarna steekt hij het doekje in de mond van het lammetje. Gretig zuigt ze de melk op. Aar krijgt het echter steeds moeilijker. Hij moet nu echt wel heel dringend plassen. Met één hand geeft hij het lam melk, terwijl hij met z’n ander hand in z’n penis knijpt. Opeens krijgt hij het idee om zich met z’n linkerhand te bekommeren om het hongerige dier terwijl hij met z’n andere hand z’n mannelijkheid kan vasthouden om te plassen.

Op het moment dat de urine rijkelijk begint te vloeien, komt Aars vader toegelopen. Hij hoopt te zien hoe zijn zoon de opgelegde taak vervult. Eerst ziet hij hoe Aar geknield bij het lammetje zit. Doordat Aar met zijn rug naar hem gekeerd is, ziet hij niet wat er zich juist afspeelt, maar hij hoort Aar duidelijk kreunen. Geschokt door wat hij te horen en te zien krijgt, grijpt Aars vader meteen naar de knuppel die hij altijd rond z’n middel draagt. Vastberaden loopt hij naar Aar. “Uit de weg!”, roept hij terwijl hij hem omver duwt. Daarop slaat hij het arme beest de schedel in. Alvorens het lijkje de rug te keren spuugt hij er nog eens op. “Daarvoor dien je niet, kreng!”, schreeuwt hij. “En jij, jij komt met mij mee”. Aar wordt als vee naar het dorpsplein gedreven. Daar roept zijn vader iedereen naar buiten. Tussen begrijpbare zinnen prevelt hij af en toe iets onverstaanbaars. “Mijn zoon heeft onze voorvaderen beledigt!”, herhaalt hij wel duizend keer.

Wanneer iedereen rond Aar staat en hem minachtend bekijkt, veroordeelt zijn vader hem: “Ik wil je hier nooit meer zien! Neem alle schapen uit het dorp met je mee en vertrek. Je bent niet langer mijn zoon, maar een banneling.” Hij voegt er nog aan toe dat Aar hem echter niet heeft besmet met zijn dierlijk en dus onmenselijk gedrag en hem daarom toch nog iets gunt:”Omdat hij ooit mijn zoon was, mag hij nog één nacht doorbrengen in ons dorp alvorens de grote woestijn over te steken”.

Het geroezemoes rondom Aar verzwakt naarmate de toeschouwers afzakken en hem nog snel een blik toewerpen waardoor zelfs een houten speer zou smelten zonder eerst spontaan in brand te schieten. Zonder enig tijdsbesef en door een volledige overdondering van het onrecht dat hem wordt aangedaan, zakt Aar op het dorpsplein door z’n benen. Even kijkt hij nog rond in de hoop dat iemand hem ziet ineenstorten en hem zou recht helpen, maar enkel de duisternis omringt hem.

Het geknetter van het uitdovende kampvuur in het midden van het plein brengt hem in een trance waardoor hij enkel nog voor zich uit staart. Wanneer hij even later z’n hoofd omhoog tilt, ziet hij nog net één ster, maar zelfs die ster verdwijnt in het niets. “Zelfs de sterren laten me in de steek”, huivert hij.

“Aar, slaap je?”, hoort hij iemand fluisteren in het donker. De stem herhaalt de vraag en komt steeds dichterbij. Uiteindelijk krijgt het geluid een gezicht. Het is ú.

Hij hoort haar alsmaar dichterbij komen en ziet hoe ze onhandig een dolk naast hem de grond insteekt. Helemaal onverwacht betast ze hem daarna met beide handen. Ze begint bij z’n voeten en stopt ter hoogte van z’n dijen. Met een schokkende stem vertelt ze Aar iets maar hij begrijpt niet alles: “Ik heb wat voor je mee Aar. Je zal het zeker nodig hebben. Hetgeen je niet broodnodig hebt, maar ik je toch geef, krijg je ook. In je hoofd zal het met je meegaan, overal.”

Haar handen glijden zachtjes over z’n dijen en ze dwingt hem de benen een klein beetje te openen. Dan grijpt ze met haar linkerhand het geslachtsdeel vast dat door angst en de mislukte plechtigheid wel dood lijkt.

“Ik maak je plasser wel, groter en steviger Aar. Zo zal jij ook harder worden vanbinnen. En je moet sterk zijn voor je reis.”

Z’n penis, herleid tot een klein stompje, wordt niet stijver hoewel ú eraan wrijft in de hoop dat het warmer wordt. Maar het onbegrip voor alle zaken die de voorbije periode gebeurden, maken het niet mogelijk een erectie te krijgen. Hij is emotioneel impotent. Ù ziet en voelt dat het niet lukt en probeert het met haar mond.

Vrijwel onmiddellijk voelt ze hoe de kleine smalle tak uitgroeit tot een boompje. Wanneer ze merkt dat de zwelling stopt, duwt ze Aar tegen de grond en gaat ze op de roede zitten. Slechts een paar keer moet ze op en neer en voelt dan dat het gedaan is.

Met een voldane blik in z’n donkere ogen, vertelt Aar dat hij klaarkwam: “Ik piste in je, ú.”

Als kind had z’n vader al uitgelegd dat je soms zeikt in een vrouw en dat dieren dat ook doen. Hij nam de jonge Aar mee naar de standplaats van de schapen van het dorp en daar zagen ze hoe een schaap de voorpoten op de rug lag van een ander. Vervolgens schudde het dier heen en weer op en in het andere schaap. Snel trok Aars vader het bovenste schaap weg en ze zagen nog net dat het dier enkele keren kort na elkaar moest plassen.

“Liefdesurine’, noemde Aars vader het trots, alsof hij hierdoor wist hoe de wereld juist in elkaar zit.

 

Adil Fraihi

 

TOSHIBA - WIN_20150326_200933

 

 

Advertenties