Om haar ongeloof te uiten, verwees ze naar de geslachtsdelen van een zekere Gerard. Het is iemand die ik niet ken en ik heb eerlijk gezegd ook helemaal niet de behoefte z’n kroonjuwelen te kennen of zo. Maar ze moeten heel krachtig (geweest) zijn, die kloten van hem. Het was immers niet de eerste keer dat ik hoorde praten over hem en z’n klokkenspel…

Bovendien was het niet echt zo dat ze me niet geloofde, maar eerder een teken dat ik – volgens haar dan toch – onzin verkocht. Ik vertelde haar nochtans niets anders dan volkse wijsheid. Wanneer ik haar die ochtend zag lopen op de kleine, oude begraafplaats rond de kerk van onze gemeente, viel het me immers meteen op dat ze er niet alleen bedrukt en bedroefd rondslenterde maar merkte ik ook de tranen in haar ogen die alsmaar groter werden toen ik haar naderde. Zowel haar blauwgrijze oogjes als de kleurloze tranen dus…

‘Zo vroeg op pad, Tessa?’, veinsde ik enige interesse in wat ze daar op dit vroege uur deed hoewel ik tegelijkertijd toch best ongerust was of zo. Ze keek me verbaasd aan omdat ze niet verwachtte dat ik iets tegen haar zou zeggen. Ik denk zelfs niet dat ze m’n naam kende of me wist wonen. Toch ben ik ervan overtuigd dat ze me al eerder zag hoor. Dorpsidioten of –gekken weten immers meer dan we denken of soms zelfs hopen…

Enkele onzichtbare regendruppels kletsten tegen de donkerblauwe pet op m’n hoofd. Ik zag ze dus niet maar hoorde het wel. Het was geen stortbui, maar alles had de kleur van haar zielige ogen of werd er op z’n minst door weerspiegeld. ‘Mijn man ligt hier niet!’, roept ze ineens alsof ik ernaar vroeg én doof was. ‘Hij ligt op het kerkhof aan de andere kant van het dorp, maar dat is te ver voor me en daarom kom ik hier wat aan hem denken. Ik heb zware benen en word al oud en versleten, weet je?’. Tussen elke zin snoof ze wat snot omhoog in haar neus. Gelukkig kon ik het niet zien maar werd het duidelijk dat ze dat niet enkel deed omdat ze verkouden was. Tessa was droevig en snotterde daardoor…

Omdat ik haar pijn niet alleen zag maar dus ook voelde, wist ik dat ze op dat moment troostende woorden nodig had van de wildvreemde man die ik dacht te zijn. Daarom vertelde ik haar dat ze dingen moest doen, ervaren, proeven, ruiken en voelen. Nieuwe dingen die er wel waren maar ze nog niet kende en waarvan ze het bestaan zelfs niet afwist. Zaken die dagelijks voor haar neus passeerden en ontdekt moesten worden, ook dan nog. Als een oude, wijze, maar vervelende man zei ik dan stomme dingen zoals ‘pluk de dag’ en om haar aan te sporen er na onze vroege ontmoeting nog voor te gaan: ‘morgenstond heeft goud in de mond’…

‘Goud in de mond? Klote Gerard!!!’, vloog ze ineens uit en ik schrok van haar reactie. Door die stomme MS van me en de evenwichtsstoornissen die daar dan weer het gevolg van zijn, had ik het moeilijk om gewoon recht te blijven staan en moest ik als een dronken bejaarde zoeken naar een muurtje waartegen ik uiteindelijk wat kon leunen…

‘Je weet toch bij wie er goud in de mond werd gegoten? Vloeibaar goud tot in de keel, Adil!’, vroeg ze me terwijl haar boze blik m’n ogen doorboorden, ‘Spaanse veroveraars die door Indianen te pakken werden gekregen en die ze dan zo wilden straffen!’, leerde ze me…

Ze keerde zich vervolgens om in één ruk en liep moeizaam verder door het kerkhof. Ik staarde wat voor me uit en het viel me, na wat een eeuwigheid leek, op dat ik eigenlijk niet tegen een muurtje leunde maar een oude, grijze grafzerk. Er stond op te lezen dat een goudsmid, veel te jong, eeuwige rust had gevonden na een lange strijd tegen iets onleesbaar…

Trouwens, toen ik de oude en bejaarde Tessa een hele tijd later terugzag, zag ik pas haar kleine rechterschoen waarin ongetwijfeld een misvormde voet verborgen zat. Het had iets weg van een bokkenpoot. Het is in die periode dat ik ook voor het eerst zag dat bokkenkloten een lekkernij zijn in de Indische keuken. Sommige mensen weten echter dat Adil, de ms-patiënt die Tessa zelfs kent, geen kloten eet. En u?

 

Adil Fraihi

TOSHIBA - WIN_20150326_200933

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties